Kleine marterachtigen

Bijgewerkt op: 08 april 2024

Dit document is opgebouwd uit vier inhoudelijke hoofdstukken die los van elkaar, maar ook in samenhang met elkaar te lezen zijn. Het is niet noodzakelijk om dit document van voor tot achter te lezen. Elk hoofdstuk heeft zijn eigen ingang. Afhankelijk van uw primaire vraag kunt u direct door naar één van deze vier hoofdstukken en zo nodig kunt u teruggrijpen op één van de andere hoofdstukken. Hieronder lichten we de inhoud per hoofdstuk toe.

Hoofdstuk 1: Ecologische informatie

Wilt u meer weten over de kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel), dan vindt u in hoofdstuk 1 inhoudelijke, ecologische informatie over de kleine marterachtigen. Hier leest u bijvoorbeeld over het type leefgebied waarin deze soorten voorkomen en de kenmerken van hun voortplantings- of rustplaatsen.

Ga naar dit hoofdstuk

Hoofdstuk 2: Ecologisch onderzoek

Bent u vooral geïnteresseerd in welk ecologisch onderzoek u op welk moment moet uitvoeren om aan de vereisten vanuit de soortbescherming te voldoen, dan start u met hoofdstuk 2. Hier staat onder meer beschreven op welke manier het leefgebied van de kleine marterachtigen kan worden beoordeeld en hoe de aan- of afwezigheid door middel van onderzoeksmethodieken kan worden aangetoond.

Hoofdstuk 3: Mogelijke maatregelen

Hoofdstuk 3 geeft voorbeelden van maatregelen ten gunste van de kleine marterachtigen die u bij uw activiteiten kunt nemen. Het nemen van één of meerdere van deze maatregelen stelt u in staat om negatieve effecten van uw activiteiten zoveel mogelijk te voorkomen. Hiermee voorkomt u mogelijk een overtreding van het omgevingsrecht. Wanneer een overtreding niet te voorkomen valt, kunnen dit maatregelen zijn om in aanmerking te komen voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. In de meeste gevallen beoordelen Gedeputeerde Staten van de provincie (met vaak als uitvoerende tak de Omgevingsdienst), of deze maatregelen afdoende zijn en verlenen zij u als mogelijk de vereiste omgevingsvergunning. In situaties waar nationale belangen aan de orde zijn, is het ministerie van LNV het bevoegd gezag (artikel 4.12, eerste en tweede lid, van het Omgevingsbesluit (Ob)), waarbij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) als uitvoerende tak geldt, waar omgevingsvergunningen worden beoordeeld en verleend. Voorbeelden hiervan zijn het aanleggen of aanpassen van de hoofdinfrastructuur zoals snelwegen, hoofdspoor en waterwegen. Dit geldt ook voor de hoofdinfrastructuur die nodig is om gas en elektriciteit te transporteren (zie ook het ‘Overzicht taken en rolverdeling bevoegdheden’).